Een gewas voor een droog eiland
Aruba ontvangt veel minder regen dan de meeste Caribische eilanden. Grote plantages met suikerriet of bananen waren er daarom nauwelijks mogelijk. In de negentiende eeuw zocht het koloniale bestuur naar gewassen die op de droge bodem toch een exportproduct konden leveren. Na experimenten met onder meer cochenille en dividivi werd in 1840 aloë geïntroduceerd.
De plant sloeg vooral aan op kalkrijke terrassen in het zuidwesten van Aruba. Aloë slaat water op in dikke bladeren en kan lange droge perioden doorstaan. Irrigatie en jaarlijkse herbeplanting waren beperkt nodig, al vergden het snijden en verwerken van de bladeren veel handwerk. Op kaarten uit 1909–1911 zijn de uitgestrekte aloëvelden nog duidelijk aangegeven.
De export ging niet om doorzichtige gel
Bij aloë denken veel mensen tegenwoordig aan een verkoelende gel voor de huid. De negentiende-eeuwse Arubaanse handel draaide echter vooral om de geelbruine latex vlak onder de bladhuid. Die vloeistof bevat aloïne, een zeer bittere stof die destijds in geneesmiddelen werd gebruikt, vooral als laxeermiddel.
Na het afsnijden werden de bladeren schuin in houten goten of bakken geplaatst. De latex liep eruit en werd vervolgens langdurig verhit, zodat water verdampte en een donkere, harde massa overbleef. Deze aloëhars of hard gum kon in kisten worden uitgevoerd en elders verder worden verwerkt. Het heldere binnenste bladweefsel speelde toen een veel kleinere commerciële rol.
Van velden naar een eigen bedrijf
Aloë werd in de tweede helft van de negentiende eeuw het voornaamste landbouwexportproduct van Aruba. Het precieze aandeel wisselde per jaar, maar het gewas gaf het eiland een plaats in een gespecialiseerde wereldmarkt. De vaak herhaalde bewering dat op het hoogtepunt twee derde van Aruba met aloë was bedekt, komt ook terug in de toeristische en bedrijfshistorie; historische kaarten bevestigen in ieder geval dat de velden een groot deel van het agrarische landschap bepaalden.
In 1890 richtte Cornelis Eman Aruba Aloe Balm N.V. op en begon hij velden te ontwikkelen bij Hato, ten noordwesten van Oranjestad. Daarmee kreeg de teelt een blijvende bedrijfsbasis. Naast losse planters ontstond een onderneming die teelt, verwerking en verkoop steeds meer zelf organiseerde.
Olie-industrie en nieuwe concurrentie
De sector bleef niet onaangetast. Rond de Eerste Wereldoorlog kreeg Aruba te maken met buitenlandse concurrentie en een tekort aan arbeidskrachten. Vanaf de jaren twintig veranderde de olieraffinaderij bij San Nicolas de economie nog ingrijpender. De raffinaderij bood veel banen en hogere, regelmatiger inkomsten dan landbouw, waardoor arbeiders de aloëvelden verlieten.
Ook de farmaceutische vraag naar traditionele aloëhars veranderde. In de twintigste eeuw kwamen andere middelen en productiewijzen beschikbaar. De teelt verdween niet, maar verloor de positie van dragende sector. Aruba werd achtereenvolgens veel sterker verbonden met olie en later met toerisme.
Van aloëhars naar cosmetica en museum
De bedrijfstak vond een nieuwe richting door niet alleen de bittere latex, maar juist de gel uit het blad te gebruiken. Aruba Aloe bracht in 1966 een eerste cosmeticalijn uit. Huidverzorgingsproducten sloten beter aan bij de moderne markt en bij het toeristische imago van het eiland. De plant bleef daardoor economisch zichtbaar, zij het op veel kleinere schaal dan de historische velden.
Bij de plantage en fabriek in Hato is tegenwoordig een museum gevestigd met werktuigen en uitleg over de oude verwerking. Bezoekers zien er het verschil tussen latex, aloïne en gel en kunnen de huidige productie bekijken. Aloë is daarmee geen decoratief symbool dat achteraf bij Aruba is bedacht, maar een tastbaar overblijfsel van de economie vóór raffinaderij en massatoerisme.



