Een eiland met een koloniale breuklijn
Toen Columbus Hispaniola in 1492 voor Spanje opeiste, werd het eiland bewoond door Taíno-gemeenschappen. Spaanse kolonisten concentreerden zich later vooral in het oosten. Franse zeerovers en planters vestigden zich in het westen, waar de winstgevende plantagekolonie Saint-Domingue ontstond. In het Verdrag van Rijswijk van 1697 erkende Spanje de Franse controle over dat westelijke deel.
Daarmee ontstonden twee koloniale samenlevingen. In Saint-Domingue werkten grote aantallen tot slaaf gemaakte Afrikanen op suiker- en koffieplantages. Het Spaanse Santo Domingo was dunner bevolkt en economisch minder dominant. De Haïtiaanse Revolutie leidde in 1804 tot de onafhankelijke staat Haïti. De Dominicaanse Republiek werd in 1844 onafhankelijk, na 22 jaar bestuur vanuit Haïti.
De grens werd pas later nauwkeurig vastgelegd
De onafhankelijkheid van beide landen betekende niet dat de grens direct vaststond. Dorpen, veeroutes en landbouwgronden liepen door elkaar en kaarten spraken elkaar tegen. Een verdrag uit 1929 legde het grootste deel van de grens vast. Aanvullende afspraken in 1935 en 1936 regelden resterende trajecten en grensmarkeringen.
De grens kreeg in 1937 een gewelddadige betekenis tijdens het regime van de Dominicaanse dictator Rafael Trujillo. Dominicaanse troepen en lokale helpers vermoordden duizenden Haïtianen en Dominicaanse inwoners van Haïtiaanse afkomst in het grensgebied. Deze zogenoemde Peterselieslachting verscherpte een nationale scheiding die in het dagelijks leven daarvoor vaak minder scherp was.
Gedeelde bergen, meren en natuur
Politiek is het eiland verdeeld, geologisch niet. Bergketens lopen van het ene land in het andere. De hoogste top van de Caraïben, Pico Duarte, ligt in de Dominicaanse Cordillera Central. Verder zuidelijk sluiten de Sierra de Bahoruco en het Haïtiaanse Massif de la Selle op elkaar aan. In dit grensgebied ligt het transnationale UNESCO-biosfeerreservaat La Selle–Jaragua-Bahoruco-Enriquillo.
Ook het laaggelegen bekken met het Dominicaanse Lago Enriquillo en het Haïtiaanse Étang Saumâtre vormt één landschappelijk systeem. Het eiland kent veel endemische planten en dieren, maar ontbossing, erosie, orkanen en droogte treffen beide landen. Verschillen in bosbeheer en landgebruik zijn vanaf de lucht soms zichtbaar, al is de bekende voorstelling van een kaarsrechte groene grens te eenvoudig.
Twee talen en sterk uiteenlopende ontwikkelingen
In de Dominicaanse Republiek is Spaans de hoofdtaal; in Haïti zijn Haïtiaans Creools en Frans officieel. Muziek, religie en keuken dragen in beide landen Afrikaanse, Europese en inheemse invloeden, maar ontwikkelden eigen vormen. Merengue en bachata worden sterk met de Dominicaanse Republiek verbonden, terwijl kompa en vodoutradities een belangrijke plaats in Haïti hebben.
De economische verschillen zijn groot. De Dominicaanse Republiek ontwikkelde een omvangrijke toerismesector, vrijhandelszones en moderne infrastructuur. Haïti kreeg te maken met politieke instabiliteit, natuurrampen en veel zwakkere publieke voorzieningen. Dat leidt tot arbeidsmigratie naar de Dominicaanse kant en tot spanningen over verblijfsrecht, nationaliteit en grensbewaking.
De grens oversteken
De drukste overgang ligt tussen Ouanaminthe en Dajabón, waar een grote grensmarkt handelaren uit beide landen aantrekt. Andere belangrijke routes lopen tussen Malpasse en Jimaní en in het centrale grensgebied bij Belladère en Comendador. De wegen verbinden hoofdsteden en regionale markten, maar de grens is geen open Schengengrens.
Paspoort-, visum- en vervoersregels verschillen per nationaliteit. Bovendien zijn grensposten in de afgelopen jaren tijdelijk gesloten geweest door politieke conflicten, veiligheidsproblemen en discussies over watergebruik. Reizigers moeten daarom kort voor vertrek controleren welke overgang open is en of verder vervoer aan beide kanten beschikbaar is. Eén eiland betekent hier niet één eenvoudig reisgebied.



