Drie grote eilandgroepen
De oude schoolboektelling van 7.107 eilanden werd na modern kaartonderzoek verhoogd tot 7.641. Veel van de extra geregistreerde eilanden zijn klein en onbewoond. De bevolking concentreert zich op enkele tientallen grotere eilanden, waarvan Luzon en Mindanao veruit de grootste zijn. Bestuurlijk en geografisch wordt het land verdeeld in Luzon in het noorden, de Visayas in het midden en Mindanao in het zuiden.
Manila ligt op Luzon, net als de dichtbevolkte vlakten van Centraal-Luzon en de rijstterrassen van de Cordillera. De Visayas omvatten onder meer Cebu, Bohol, Panay, Negros, Leyte en Samar. Mindanao heeft grote landbouwgebieden en steden als Davao en Cagayan de Oro, maar ook de autonome regio Bangsamoro en verschillende kleinere eilandgroepen.
Een archipel aan plaatgrenzen
De eilanden liggen tussen de Filipijnse Zeeplaat en delen van de Euraziatische plaat. Langs diepe troggen duikt oceaanbodem onder de archipel. Dat proces vormde vulkanische eilandbogen en verklaart waarom het land actieve vulkanen, steile bergketens en frequente aardbevingen kent. De circa 1.200 kilometer lange Philippine Fault Zone doorsnijdt de archipel van noordwestelijk Luzon tot zuidoostelijk Mindanao.
Niet elk eiland is vulkanisch. Palawan bestaat grotendeels uit andere gesteenten en sluit geologisch meer aan bij de rand van het Aziatische continent. Koraalriffen, opgeheven kalksteen en afzettingen van rivieren voegden nieuwe kustvormen toe. Daardoor lopen de landschappen uiteen van de vulkaan Mayon en de bergen van Luzon tot kalksteenkliffen bij Palawan en lage koraaleilanden in de Suluzee.
Water houdt regio’s uit elkaar én bijeen
De Spaanse en later Amerikaanse bestuurders brachten de eilanden onder één koloniaal gezag, maar regionale verschillen bleven groot. Filipino en Engels zijn landelijke officiële talen, terwijl Cebuano, Ilocano, Hiligaynon, Waray, Bikol en vele andere talen dagelijks door miljoenen mensen worden gebruikt. Op Mindanao en de Sulu-eilanden spelen daarnaast islamitische tradities een belangrijke rol.
De zee was nooit alleen een hindernis. Handelaren, vissers en migranten onderhielden lang voor de koloniale tijd verbindingen tussen eilanden en met Borneo, China en de Molukken. Tegenwoordig blijven kuststeden en havens knooppunten voor voedsel, brandstof, bouwmaterialen en passagiers.
Een land afhankelijk van havens en vliegvelden
Op grote eilanden bestaan uitgebreide wegennetten, maar een doorgaande autorit door het hele land is onmogelijk. Roll-on-roll-offveerboten verbinden delen van het nationale wegennet en nemen bussen, vrachtwagens en personenauto’s mee. Grote havens zoals Manila, Cebu, Batangas en Cagayan de Oro verwerken passagiers en goederen; kleinere eilanden zijn afhankelijk van lokale veerdiensten.
Binnenlandse vluchten zijn vaak sneller dan reizen per schip. Manila, Cebu en Clark functioneren als belangrijke luchtvaartknooppunten, terwijl tientallen regionale luchthavens eilanden met elkaar verbinden. De archipelvorm maakt transport echter duurder: afgelegen provincies betalen meer voor ingevoerde producten en medische of onderwijskundige diensten zijn niet overal even gemakkelijk bereikbaar.
Reizen vraagt regionale keuzes
Voor reizigers is “de Filipijnen” geen bestemming die in één route kan worden samengevat. Luzon combineert Manila, vulkanen en berggebieden; de centrale eilanden bieden historische steden, stranden en duikgebieden; Palawan vraagt weer andere boot- en vliegverbindingen; Mindanao heeft regio’s met een geheel eigen cultuur en veiligheidssituatie.
De periode en route zijn belangrijk. Tropische stormen en tyfoons kunnen vluchten en veerdiensten stilleggen, vooral in het regenseizoen. Tickets voor boten en binnenlandse vluchten moeten daarom niet te krap op elkaar aansluiten. Juist de noodzaak om telkens een zeestraat over te steken laat zien hoe sterk water het dagelijks functioneren van dit land bepaalt.



